Wanneer hoor je er dan wel bij?
Ik geloof in een samenleving waar iedereen mee mag doen. Waar je niet steeds hoeft te bewijzen dat je erbij hoort. Waar je Nederlander bent, punt. Maar als ik zie hoe premier Schoof hele bevolkingsgroepen wegzet met woorden als “integratieprobleem”, dan vraag ik me af: wanneer hoor je er dán wél bij?
Als Kamerlid met een hoofddoek kreeg ik van de premier te horen dat hij mij “als mens” beschouwt. Daarna bleef het stil. En nu zie ik een minister-president die mensen verdeelt in plaats van verbindt. Die spreekt over jongeren met een migratieachtergrond alsof het een homogene groep is, en van een integratieprobleem zonder onderbouwing.
Maar integratie van wie, precies? En volgens welke norm? Want wat als je de taal spreekt, een opleiding hebt, werkt, of zelfs Kamerlid bent — en alsnog hoort dat je ‘van binnenuit de instituties uitholt’? Dan is je Nederlanderschap blijkbaar voorwaardelijk. Dan ben je nog steeds “zij”.
Ik ben geboren in Helmond, met een Nederlandse moeder en een Marokkaanse vader. Ik vier Sinterklaas en Suikerfeest. Ik draag een hoofddoek en een regenboogspeld. Ik ben geen ‘voorbeeld van geslaagde integratie’. Ik ben gewoon Esmah. Een Nederlander die meedoet, denkt, werkt, en strijdt voor een samenleving waarin we echt samenleven.
De woorden van de premier doen pijn. Niet alleen mij. Ook mijn Joodse en islamitische vrienden vragen zich af: mag ik hier nog wel zijn? Ben ik nog veilig? Dat is de schade van woorden. Woorden die stigmatiseren. Woorden zonder cijfers, zonder context, zonder verbinding.
Bestaanszekerheid is belangrijk, maar bestaansrecht komt eerst. Het recht om hier te zijn. Zonder voorbehoud. Zonder voorwaarde. Gewoon, als mens. Want ja, daar begon het mee. “U bent voor mij gewoon een mens,” zei de premier.
Ik had hem willen vragen: wie is er voor u geen mens?
We hebben het over mensen. Laten we ze ook zo behandelen.